Nederland kan de energietransitie betalen. Dat is de hoofdconclusie van een rapport waaraan RVO meewerkte en dat voor het eerst bestaande kennis over de kosten van de energietransitie samenbrengt. Maar de nuance zit in de verdeling: wie de overstap naar duurzame energie wél kan financieren, eindigt uiteindelijk met lagere energiekosten. Wie dat niet kan, betaalt juist meer.
Tussen 2019 en 2023 groeiden de investeringen in elektriciteitsnetten, warmtepompen, duurzame energie en elektrisch vervoer al met ongeveer 60%. De totale systeemkosten stijgen daarbij beperkt, maar de samenstelling verandert wel. Nu gaat het grootste deel nog op aan brandstofkosten. In de toekomst verschuift dat naar investeringen in infrastructuur, energieopslag en het beter afstemmen van vraag en aanbod.
Niet alle bedrijven staan er hetzelfde voor
Voor ondernemers is het beeld divers. Energiehongerige sectoren zoals chemie en staal krijgen vaker te maken met hogere kosten en toenemende concurrentiedruk. Hoe het uitpakt, hangt af van het productieproces en de mogelijkheden om over te stappen op elektriciteit. Een bedrijf dat relatief makkelijk kan elektrificeren, staat er anders voor dan een bedrijf waarbij dat technisch of financieel ingewikkeld ligt.
Bij huishoudens spelen woningtype, vervoer en energieverbruik een rol. Ook hier geldt: wie nu kan investeren in verduurzaming, plukt daar later de vruchten van. Wie dat niet kan, draagt de lasten zonder de voordelen.
Het rapport signaleert ook waar kennis nog ontbreekt, onder meer over economische effecten op de lange termijn en de verdeling van investeringen. Overheid, bedrijven en huishoudens hebben die kennis nodig om betere keuzes te maken over het toekomstige energiesysteem. Het volledige rapport ‘Kosten van de energietransitie’ is te lezen via energy.nl.
Bron: www.rvo.nl