In grote delen van Nederland daalt het aantal mbo-studenten, en dat zet de financiering van scholen onder druk. Het kabinet kiest er nu voor om de bekostiging minder afhankelijk te maken van studentenaantallen. Wie minder studenten trekt, mag straks niet automatisch minder geld verwachten. Dat is de kern van het pakket dat minister Letschert van OCW op 7 juli 2026 presenteerde.
Nieuw is de introductie van een vaste voet: elk mbo-instituut krijgt een vast basisbedrag, ongeacht hoeveel studenten er ingeschreven staan. Instellingen in krimpregio’s zoals Zeeland en Limburg ontvangen daar bovenop structureel extra middelen. Tegelijk reserveert het kabinet 200 miljoen euro voor een regionaal samenwerkingsbudget. Om daar aanspraak op te maken, moeten instellingen een concreet plan indienen over hoe ze in de regio samenwerken, met aandacht voor de aansluiting op de arbeidsmarkt en het terugdringen van onderlinge concurrentie.
Herverdeling met een rem op de pijn
De herziening is grotendeels budgetneutraal. Dat betekent dat sommige instellingen meer krijgen en andere minder. Om kwaliteitsverlies te voorkomen, mag het herverdeeleffect per instelling niet groter zijn dan min vier procent. Dat verlies wordt bovendien gespreid via een overgangsregeling, zodat scholen de tijd krijgen zich aan te passen. Het nieuwe stelsel moet in 2029 ingaan. Het bijbehorende wetsvoorstel gaat de week na de aankondiging in internetconsultatie.
Voor studenten zelf verandert er ook iets concreets: minderjarige mbo-studenten hoeven vanaf 2029 geen leermiddelen meer te betalen. Het kabinet koppelt de maatregel aan het Nationaal Programma Vitale Regio’s, dat de leefbaarheid van krimpregio’s wil versterken. OCW noemt dit de eerste concrete invulling van de gevraagde investeringen vanuit dat programma.
Bron: www.rijksoverheid.nl