Subsidies voor ontwikkelingssamenwerking

Nederland heeft een lange traditie in ontwikkelingssamenwerking en dat vertaalt zich in een breed scala aan subsidie- en financieringsregelingen. De meeste lopen via het ministerie van Buitenlandse Zaken (BHOS — Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking), via RVO of via gespecialiseerde uitvoerders zoals FMO. Voor bedrijven, NGO's en kennisinstellingen die in lage- en middeninkomenslanden willen werken bestaan instrumenten die anders zijn dan reguliere binnenlandse subsidies.

Het BHOS-instrumentarium

BHOS verdeelt jaarlijks honderden miljoenen euro's over thematische programma's. Voedselzekerheid, watermanagement, klimaat, gezondheid, sexual and reproductive health rights, vrouwenrechten, jongerenwerk, ondernemerschap. De grote subsidiekanalen lopen vaak via meerjarige strategische partnerschappen met grote NGO's of via gerichte calls voor projecten in specifieke landen of regio's.

Voor kleinere organisaties en specifieke initiatieven bestaan toegankelijker instrumenten zoals het Local Employment in Africa for Development-programma of het Power of Voices-instrument. Aanvragen vragen om een gedegen projectplan, lokale verankering en duidelijke link met BHOS-prioriteiten. Voor wie nieuw is in dit veld is samenwerking met een ervaren partner cruciaal.

DGGF voor Nederlandse bedrijven en investeringen

Het Dutch Good Growth Fund (DGGF) ondersteunt drie hoofdstromen. Spoor 1: financiering voor Nederlandse mkb dat handel drijft met of investeert in lage- en middeninkomenslanden. Spoor 2: financiering voor lokaal mkb in die landen via lokale fondsmanagers. Spoor 3: financiering voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties. Voor Nederlandse bedrijven met internationale ambitie in deze markten is DGGF een belangrijke financieringsbron.

DGGF werkt deels via leningen en participaties, niet via cash-subsidies. De financieringen hebben gunstige voorwaarden in termen van rente, doorlooptijd en risicodragend kapitaal. De aanvraag vraagt om een gedegen businessplan en aantoonbare ontwikkelingsrelevantie van het project of de transactie.

ORIO en infrastructuur

ORIO (Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling) financiert publieke infrastructuurprojecten in ontwikkelingslanden met Nederlandse betrokkenheid. Watervoorziening, sanitatie, transport, energie, klimaatadaptatie. Het programma werkt via een combinatie van Nederlandse en lokale partijen die samen een project opzetten. Voor Nederlandse ingenieurs- en bouwbedrijven met internationale ambitie biedt ORIO een ingang.

Voor specifieke sectoren lopen aanvullende routes. SDG Partnership Facility voor publiek-private partnerschappen rond de duurzaamheidsdoelen. Develop2Build voor onderzoeksrelevante samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse kennisinstellingen. Het Dutch Trade and Investment Fund voor specifieke handelsbevorderingsactiviteiten in lage-inkomenslanden.

Maatschappelijke organisaties en NGO's

Voor maatschappelijke organisaties bestaat een eigen circuit met strategische partnerschappen, specifieke landenprogramma's en thematische instrumenten. De Strategische Partnerschappen voor lobbywerk en beïnvloeding lopen via meerjarige contracten met grote Nederlandse NGO's. Daarnaast bestaan specifieke regelingen voor noodhulp, conflictpreventie en stabilisatie.

Voor kleinere NGO's met specifieke expertise zijn de aanvraagprocedures aanzienlijk zwaarder dan voor grotere spelers, die vaak meerjarige bekostiging hebben. Voor nieuwe spelers loopt de instap vaak via samenwerking in consortia waarin een grotere NGO de penvoerder is.

Kennisinstellingen en internationaal onderzoek

Voor onderzoeksinstellingen die in ontwikkelingslanden willen werken bestaan instrumenten via NWO (Wotro — Netherlands Organisation for International Development Cooperation), via Erasmus+ (capaciteitsopbouw), en via specifieke programma's voor universitaire samenwerking. Voor onderwijs is OKP (Orange Knowledge Programme) de bekendste route.

Aandachtspunten voor wie hier nieuw is

Ontwikkelingssamenwerking heeft een eigen taal en eigen criteria. Aanvragen vragen niet alleen om financiële en organisatorische onderbouwing, maar ook om aantoonbare relevantie voor de Sustainable Development Goals, voor lokale eigenaarschap, voor genderbalans en voor "do no harm"-principes. Wie zonder die referentiekaders begint te schrijven, valt vaak al in de eerste beoordeling af.

Tweede aandachtspunt: doorlooptijden. Internationale projecten hebben langere voorbereidingstijden, complexere lokale samenwerkingen en strenger toezicht. Reken op zes maanden tot een jaar tussen idee en eerste financiering, en op meerjarige uitvoering.

Op deze pagina vind je alle openstaande regelingen rond ontwikkelingssamenwerking die via RVO en BHOS lopen. Voor de specifieke partnerschappen en grotere strategische instrumenten verwijzen we naar de uitvoerders zelf — die informatie is te gedetailleerd voor een algemeen overzicht.

Voor wie overweegt in te stappen: praat eerst met collega-organisaties die al actief zijn op de relevante landen of thema's. Partos (de Nederlandse branchevereniging voor ontwikkelingssamenwerking), kennisplatformen zoals INCLUDE, en specifieke werkgroepen rond thema's bieden snel inzicht in wat werkt en wat niet. De geïnvesteerde tijd voor zo'n verkenning verdient zichzelf in aanvraagkwaliteit ruimschoots terug.